De strijd om de premies • TTM.nl Ga naar hoofdinhoud

De strijd om de premies

Op dinsdag 27 juli j.l. verscheen de zoveelste uitspraak van de rechter in de zaak Van den Bosch tegen FNV. Dat behoeft enige uitleg. Al jaren zijn FNV en Van de Bosch verwikkeld in een juridische strijd waarbij er grofweg twee procedures van elkaar te onderscheiden zijn.

door Patrick Bobeck

Een daarvan betreft de procedure waarbij FNV als zelfstandige procespartij de rechter heeft verzocht Van Den Bosch te dwingen om Nederlands loon te voldoen aan al haar buitenlandse werknemers. Die verplichting zou voorvloeien uit de Detacheringsrichtlijn. In die procedure heeft het Europees Hof uitspraak gedaan en terugverwezen naar de Hoge Raad. De uitspraak van 27 juli j.l. betreft daarentegen de zaak waarin FNV namens 10 individuele chauffeurs de rechter verzoekt Van den Bosch te veroordelen tot het betalen van achterstallig Nederlands loon. Deze chauffeurs waren allen in dienst van buitenlandse nevenvestigingen van Van den Bosch. Desondanks meende FNV dat deze chauffeurs beloond diende te worden op basis van de Nederlandse CAO. FNV legt aan deze eis ten grondslag dat de werkzaamheden van deze chauffeurs zo nauw verbonden zijn aan Nederland, dat Nederland moet worden beschouwd als ‘gewoonlijk werkland’. Indien dat inderdaad zo zou zijn dan dienen de chauffeurs volgens Nederlandse arbeidsvoorwaarden te worden beloond. Nadat de rechter in eerste aanleg in het voordeel van FNV oordeelde, ging Van den Bosch in hoger beroep. Het hof besliste toen in het voordeel van Van den Bosch waarna FNV in cassatie ging. Na terugverwijzing door de HR oordeelt het hof thans dus dat Nederland inderdaad als gewoonlijk werkland dient te worden beschouwd. Om tot dit oordeel te komen, wijst het hof op een aantal omstandigheden. Allereerst begon en eindigde hun serie vervoersopdrachten in Nederland. Daar stonden de vrachtwagens klaar en vanuit Nederland vertrokken zij, na afloop van hun dienst, weer naar hun woonplaats. De planning van de transporten vond feitelijk vanuit Nederland plaats. Bovendien werden de instructies over de transportopdracht (laad- en losadressen) rechtstreeks aan de chauffeur vanuit Nederland gegeven. De loonbetaling, eventuele ziekmeldingen en verlofaanvragen werden allemaal vanuit Nederland geregeld. En ook de brandstofpas stond op naam van het Nederlandse bedrijf. Kortom, aldus het Hof, alles wijst op Nederland als gewoonlijk werkland. Mogelijk ziet FNV hierin aanleiding om bij meerdere transportbedrijven betaling van Nederlands loon af te dwingen. Al sluit ik ook niet uit dat zij eerst het verdere verloop van deze procedure afwachten.

Er is in de uitspraak echter één zin waaruit in mijn ogen een nog veel groter gevaar schuilt voor Nederlandse vervoerders met een buitenlandse vestiging. Van den Bosch stelde, dat nu de sociale premies voor de chauffeurs in Hongarije werden voldaan, dat toch wel moest aantonen dat Hongarije het gewoonlijk werkland was. Het hof stelt echter dat “niet vaststaat dat de heffing van Hongaarse sociale zekerheidspremies in dit geval geheel juist is geweest”. Een half verstaander weet in dit geval genoeg. Want deze zin opent de weg tot veel zwaarder geschut, namelijk strafrechtelijke vervolging van vervoerders vanwege het niet correct afdragen van sociale premies. In België woedt die strijd al volop. De justitiële autoriteiten aldaar zijn al overgegaan tot het strafrechtelijk vervolgen van vervoerders.  De werkzaamheden van deze buitenlandse chauffeurs zijn zo nauw verbonden aan België dat ook aldaar de premies dienen te worden afgedragen. En het niet betalen daarvan, terwijl je daar wel toe verplicht bent, levert nu eenmaal een strafbaar feit op. Het hof in de zaak van Van den Bosch twijfelt nu dus openlijk of betaling van sociale premies wel op de juiste wijze heeft plaats gevonden.

In dat verband is op 3 juni 2021 een belangrijke uitspraak gedaan door het Europees Hof. Een Bulgaars uitzendbureau verzocht de Bulgaarse autoriteiten om een zogenaamde A1 verklaring. Een dergelijke verklaring houdt kort gezegd in, dat door de autoriteiten goedkeuring wordt verleend om sociale premies van werknemers aldaar af te dragen. De Bulgaarse autoriteiten weigerden echter die goedkeuring, omdat de werknemers allen in Duitsland zouden te komen werken. Aldus zouden de sociale premies niet in Bulgarije, maar in Duitsland dienen te worden voldaan.  Het Europees Hof bevestigt dat die visie juist is en dat Bulgarije terecht de afgifte van de A1 verklaring heeft geweigerd. Met deze uitspraak in de hand hebben justitiële autoriteiten in West Europa, dus ook Nederland, een ijzersterk wapen in handen. Zelfs Oost-Europese overheden huldigen thans de opvatting dat sociale premies in West-Europa dienen te worden afgedragen. Daarmee staat dus vast dat vervoerders dat ten onrechte niet hebben gedaan, En daarmee wordt de deur tot strafrechtelijke vervolging wagenwijd open gezet. Een aantal jaar geleden voorspelde ik al dat het volgende hoofdstuk in deze saga, de strijd om de premies zou zijn. Die voorspelling lijkt uit te komen.

www.vallenduuk.nl

[INHOUD | INDEX : TTMnl2021_3_49]

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Zorg dat u niets mist. Neem nu een jaarabonnement op TTM.nl met 25% korting. Abonneer