Zaak heropenen of niet? • TTM.nl Ga naar hoofdinhoud

Zaak heropenen of niet?

Het is 24 april 2002 als de heren Herman Dubois en Wilco Viets zichtbaar opgelucht de trappen afdalen van het Gerechtsgebouw. Ze zijn net alsnog vrijgesproken van moord en verkrachting. Het vormt het sluitstuk van een van de meest spraakmakende strafzaken in Nederland ooit, in de volksmond bekend geworden als de Puttense moordzaak.

Op 9 januari 1994 wordt het ontzielde lichaam gevonden van de 23 jarige Christel Ambrosius. Ze blijkt te zijn verkracht en vermoord. Al vrij snel worden de twee heren als verdachten opgepakt. Getuigen hebben gezien dat zij, samen met twee vrienden, rondjes reden in de bossen van Putten. In december 1994 worden de twee verdachten schuldig bevonden en veroordeeld tot 10 jaar cel, welke veroordeling zowel bij het Gerechtshof als de Hoge Raad stand houdt. Hun veroordeling berust op de door hen, naar eigen zeggen onder zware druk, afgelegde bekentenissen en de vrij onbetrouwbare verklaringen van de twee vrienden met wie zij die middag in het bos aanwezig waren. Opmerkelijk aan de zaak is dat er op het lichaam van het slachtoffer een spermaspoor is aangetroffen waarvan onomstotelijk is komen vast te staan dat het niet overeen komt met het DNA van de verdachten. De verklaring van de aanwezigheid van het spermaspoor werd gevonden in de toen al zeer controversiële geuite theorie van een Hoogleraar Gynaecologie, dat het aangetroffen spoor het resultaat kon zijn van een eerder, vrijwillig, seksueel contact van het slachtoffer met een onbekend persoon. Door de verkrachting van het slachtoffer zou het spoor uit het lichaam zijn gesleept. Het feit dat het DNA niet overeen kwam met het DNA van een van de verdachten behoefde dus geen beletsel te zijn voor hun schuld.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is TTM2017_5_33_columnbobeck_foto-683x1024.jpg
door Patrick Bobeckwww.vallenduuk.nl

Beide verdachten hebben altijd volgehouden onschuldig te zijn en in juni 2001 lukt het hen om de Hoge Raad te bewegen de strafzaak te heropenen. Dat was overigens bepaald geen gemakkelijke opgave. Voor een succesvol verzoek tot een zogenaamde herziening, dient er sprake te zijn van een nieuw feit, een novum. En dit nieuwe feit zou, indien het bekend zou zijn geweest bij de behandeling van de zaak, tot een andere uitkomst hebben geleid. Het door de verdachte aangedragen novum bestond er in dat de deskundige, jaren later, verklaard heeft dat de politie zijn destijds verkondigde sleeptheorie had opgeblazen en verkeerd had uitgelegd. Ofschoon in de rechtsgeleerdheid betwist werd of dit wel een novum was, ontkwam de HR er, onder zware maatschappelijk druk, niet aan de zaak te heropenen. Niet in de laatste plaats omdat misdaadverslaggever Peter R. de Vries inmiddels 43 uitzendingen aan de zaak had gewijd. Rechtsgeleerden wezen er echter op dat van een novum niet echt sprake was. De theorie van de expert was al controversieel en het gegeven dat het DNA spoor niet van de verdachten was, was eveneens al bekend. De spagaat waarin de HR zich bevond, namelijk het moeten heropenen van de zaak terwijl er van een novum niet echt sprake was, is ook in Den Haag opgevallen en sinds 2018 is een novum niet langer vereist. Sindsdien is “elk gegeven” dat vermoedelijk tot een andere uitspraak zou hebben geleid voldoende voor een heropening. Dit geldt overigens alleen voor strafzaken.

Maar ook in het bestuursrecht worden uiteraard uitspraken gedaan die nadien, met kennis achteraf, tot een andere uitkomst hadden geleid. Op 24 maart 2021 deed het Europees Hof van Justitie uitspraak in een zaak van 2 chauffeurs die beboet waren omdat zij niet in staat waren registratiebladen te overhandigen van de 28 voorafgaande dagen van de controle. Omdat de Italiaanse autoriteiten meenden dat iedere dag dat de registratiebladen ontbraken een afzonderlijke overtreding betrof, kregen de twee chauffeurs 28 boetes opgelegd. De chauffeurs waren het hier niet mee eens, stellende dat het niet kunnen overhandigen van de registratiebladen slechts een enkele overtreding behelsde, ongeacht of dat nou voor de 28 voorafgaande dagen gold of niet. Het Europees Hof volgt die stelling en oordeelde dat het niet voorhanden hebben van de juiste administratie slechts één overtreding oplevert. Ook in dit soort zaken kan men dus stellen dat alle zaken voorafgaand aan deze uitspraak van het Hof, een andere uitkomst zouden hebben gehad, indien dit gegeven bekend was. Maar in het bestuursrecht kent men nou eenmaal niet de herziening zoals dit in het strafrecht wel geldt. Toch lijkt ook hier verandering in te komen en wel vanuit de rechterlijke macht zelf. Zo oordeelde de Centrale Raad van Beroep, ons hoogste rechtscollege in Sociale zekerheidszaken dat een ingediend herzieningsverzoek van boetebesluiten, waarvan is komen vast te staan, dat zij thans tot een lagere boete zouden leiden, wel degelijk kunnen worden heropend. Het zonder meer afwijzen van verzoeken tot heropening van dit soort zaken is, nu vaststaat dat de sancties op deze overtredingen op dit moment veel lager zijn dan voorheen, evident onredelijk aldus de Centrale Raad van Beroep. Het is mijn inschatting dat de discussie over het al dan niet heropenen van dit soort zaken niet zal verstommen en in de (nabije) toekomst alleen maar zal toenemen.  

[INHOUD | INDEX TTMnl2021_2_45]

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Zorg dat u niets mist. Neem nu een jaarabonnement op TTM.nl met 25% korting. Abonneer