Ga naar hoofdinhoud

Elektrificatie kan uitstoot van vervoer, bouw en industrie in 2050 met 60 procent verminderen

Elektrificatie van de transport-, bouw- en industriële sectoren in Europa zou de uitstoot van broeikasgassen tussen 2020 en 2050 met 60 procent kunnen verminderen, blijkt uit een nieuw rapport dat door onderzoeksbureau BloombergNEF (BNEF) is gepubliceerd. Het rapport wijst op stappen die beleidsmakers moeten nemen om ‘sector coupling’ – de uitbreiding van op elektriciteit gebaseerde technologieën naar belangrijke sectoren – te bevorderen en dit proces mogelijk te maken voor het elektriciteitsnet.

Een revolutie in het gebruik van energie door deze drie sectoren is mogelijk in de komende 30 jaar, en heeft een sterke vermindering van de CO2-uitstoot als gevolg. Het rapport Sector Coupling in Europe: Powering Decarbonization, geschreven in samenwerking met Eaton en Statkraft, schetst de mogelijkheden voor elektrificatie, en houdt daarbij rekening met huidige beleidsvorming in landen als Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

Victoria Cuming, head of global policy analysis bij BNEF, geeft aan: “Elektrificatie, of ‘sector coupling’, zou een enorme bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van de nationale emissiereductiedoelstellingen van regeringen. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van de overgang naar minder koolstof, die al gaande is in de energiesector.”

Elektrificatie zou kunnen plaatsvinden via een mix van directe en indirecte veranderingen. Een directe verandering zou bijvoorbeeld een toename van het aantal elektrische voertuigen in de transportsector kunnen zijn. Voor de industrie is de toename van elektrische verwarmingssystemen zoals warmtepompen in gebouwen zo’n directe verandering. Een indirecte verandering is bijvoorbeeld de overstap naar ‘groene waterstof’ – geproduceerd door elektrolyse met behulp van hernieuwbare elektriciteit – als brandstof om gebouwen en zoveel mogelijk industriële processen van warmte te voorzien, die anders afhankelijk zouden zijn van fossiele brandstoffen.

“Er is actie van beleidsmakers nodig om deze veranderingen te realiseren,” aldus Cuming. “Regeringen moeten stimuleringsmaatregelen en wetgeving invoeren om de uitstoot van warmte in gebouwen te verminderen, projecten voor elektrificatie te ondersteunen en belemmeringen voor de productie van groene waterstof weg te nemen. Ook moeten ze in kaart brengen hoe ze de consumenten en maatschappij erbij kunnen betrekken, aangezien juist zij een cruciale rol moeten spelen om de elektrificatie van deze nieuwe sectoren mogelijk te maken.”

Albert Cheung, head of analysis bij BNEF, voegt daaraan toe: “Het elektrificeren van andere economische sectoren heeft aanzienlijke gevolgen voor het elektriciteitsnet. Overheden zullen de versterking en uitbreiding van het net moeten ondersteunen om grotere energievolumes te kunnen verwerken en de aansluiting van hernieuwbare energiebronnen mogelijk te maken. Dat kan met de inzet van batterijen en andere flexibele bronnen om het net te balanceren.”

In het rapport wordt geschat dat het elektriciteitsnet in 2050 zo’n 75 procent meer opwekkingscapaciteit nodig zou kunnen hebben, in vergelijking met wat er nodig zou zijn zonder sector coupling, waarbij goedkope wind- en zonne-energiecentrales het grootste deel voor hun rekening nemen. Het net zou ook flexibeler moeten zijn om de verschillende patronen in energieverbruik van verwarming en transport te ondervangen. Tegelijkertijd zouden de nieuwe geëlektrificeerde sectoren bronnen voor deze ‘flexibiliteit’ kunnen creëren, bijvoorbeeld door hun verbruikspatronen te wijzigen. Daarvoor moeten dan wel het juiste beleid en de juiste technologieën voorhanden zijn: op dit moment raakt het Nederlandse elektriciteitsnet al overbelast door nieuwe wind- en zonne-energieparken.

Zo’n elektrificatietraject zou ervoor kunnen zorgen dat elektriciteit (direct en indirect) 60 procent van de eindvraag naar energie van de transport-, bouw- en industriesector voor zijn rekening neemt. Dat is nu nog maar 10 procent. Dit betekent niet dat deze sectoren dan volledig vrij van koolstof zijn. Dat komt mede door verschillende activiteiten binnen deze sectoren die zwaar op fossiele brandstoffen leunen, zoals de luchtvaart, de scheepvaart, het langeafstandsvervoer over de weg en industriële hogetemperatuurprocessen voor de vervaardiging van bijvoorbeeld cement en staal. Bovendien duurt het zeer lang om deze onderdelen te verduurzamen of vervangen.

Om de uitstoot verder tot nul terug te dringen zouden regeringen een ambitieuzer beleid moeten voeren om ‘sector coupling’ te versnellen en andere technologieën op de markt te brengen, zoals het afvangen, gebruiken en opslaan van koolstof (carbon capture, use and storage, CCUS). Ook zouden ze de landbouw en het landgebruik moeten aanpakken.

De toenemende vraag naar energie moet worden opgevangen met schone energiebronnen, voor zover dat mogelijk is. Op die manier worden de klimaatvoordelen van sector coupling gemaximaliseerd. Cheung: “Het is van cruciaal belang dat overheden en regelgevers een omgeving creëren die het voor ontwikkelaars van wind- en zonne-energie interessant maakt om in te stappen. Dat kan door te anticiperen op een rendement dat hoge investeringen rechtvaardigt.”

Henrik Sætness, senior vice president corporate strategy and analysis bij Statkraft geeft aan: “Dit rapport bevestigt de belangrijke rol die elektrificatie speelt bij het afbouwen van koolstof en de cruciale rol van hernieuwbare energiebronnen in de komende jaren. In de toekomst kunnen hernieuwbare energiebronnen geen deel meer uitmaken van de oplossing. Zij moeten de oplossing zijn.”

Cyrille Brisson, vice president, sales, service en marketing bij Eaton EMEA, voegt toe: “Deze studie toont aan dat we onze regelgeving én de markt moeten aanpassen, om zo de energietransitie te versnellen en de toename van broeikasgassen in de atmosfeer te stoppen. Hoewel de essentiële hervorming van de regulering van het net door heel Europa vordert, hebben we nog veel werk voor de boeg als we het goede voorbeeld willen volgen en innovatie verder willen stimuleren. Dit zie je met name wanneer het gaat om marktstructuren die de flexibiliteit stimuleren die nodig is om de uitdaging van de wisselvalligheid van duurzame bronnen aan te gaan.”

Wanneer het tijdspad verloopt zoals beschreven in het rapport, ervan uitgaande dat de bovengenoemde uitdagingen worden aangepakt, daalt de totale uitstoot van elektriciteit, vervoer, gebouwen en industrie tussen 2020 en 2050 met 68 procent. Wanneer alleen gekeken wordt naar de transport- bouw- en industriesectoren, is die daling 60 procent.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Zorg dat u niets mist. Neem nu een jaarabonnement op TTM.nl met 25% korting. Abonneer