Op 26 augustus 2025 wees het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een arrest dat bij menig transportondernemer, fabrikant en truckfanaat de wenkbrauwen heeft doen fronsen. Een transportbedrijf kreeg een boete opgelegd omdat één van haar vrachtwagens was uitgerust met een bullbar. Volgens het Hof is zo’n ‘frontbeschermingsinrichting’ – kort gezegd – verboden op voertuigen van meer dan 3.500 kg. Dat lijkt heldere taal, maar is dat wel zo?

De kern van de redenering van het Hof is dat uit de artikelen 5.3.48 en 5.3.50 van de Regeling voertuigen, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat een bullbar onder voorwaarden is toegestaan op voertuigen tot en met 3.500 kg, maar niet op voertuigen daarboven. Met andere woorden: wat expliciet – en onder strikte voorwaarden – mag bij lichte voertuigen, is dus kennelijk verboden bij zware voertuigen. Die redenering schuurt. En niet een beetje.
Wie de betreffende bepalingen leest, ziet namelijk geen expliciet verbod voor voertuigen boven de 3.500 kg. Wat er wél staat, is dat voertuigen tot en met 3.500 kg onder voorwaarden (denk aan typegoedkeuring) een frontbeschermingsinrichting mogen voeren. Dat is iets wezenlijk anders dan een algemeen verbod voor alles wat daarboven zit.
Het verschil tussen “onder voorwaarden toegestaan” en “dus daarbuiten verboden” is juridisch geen semantiek, maar fundament. We leven – gelukkig – in een rechtsstaat waarin het legaliteitsbeginsel leidend is. Geen straf zonder wet. En vooral: geen straf op basis van een redenering die verder reikt dan de tekst van de norm.
Het doet denken aan de discussie die jarenlang werd gevoerd over de verkorte en normale wekelijkse rust. Een chauffeur mocht onder voorwaarden de verkorte wekelijkse rust in het voertuig doorbrengen. Een expliciet verbod om de normale wekelijkse rust in het voertuig te nemen, ontbrak. Toch werd daar in de praktijk al snel een impliciet verbod in gelezen. Tot aan het Europese Hof van Justitie (en zelfs nog daarna) werd hier over gesteggeld, totdat de wetgever uiteindelijk helderheid bood en expliciet vastlegde dat de normale wekelijkse rust niet in het voertuig mag worden genoten. Dát is wetgeving. Dát is rechtszekerheid.
Wat het Hof hier doet, is feitelijk die tussenstap overslaan. Het leest in een regeling voor lichte voertuigen een impliciet verbod voor zware voertuigen. Maar lichte bedrijfswagens en zware vrachtwagens zijn geen variaties op hetzelfde chassis. Het zijn fundamenteel verschillende voertuigcategorieën, met een andere bouw, andere massa, andere botsdynamiek en een andere functie in het verkeer.
Een bullbar op een bestelbus van 2.5 ton kan (en zal) een heel ander effect hebben dan een bullbar op een truck met oplegger van 40 ton. Dat daar bij lichte voertuigen strenge voorwaarden gelden, is voorstelbaar. De verhouding tussen voertuig en kwetsbare verkeersdeelnemer is anders. De constructie van het voertuig is anders. De impact is anders.
Maar om daaruit zonder meer af te leiden dat een bullbar op een vrachtwagen per definitie verboden is, is een stap die de wetgever niet expliciet heeft gezet.
Daar komt bij dat de boete in deze zaak was gebaseerd op de stelling dat de bullbar een voorziening is die bij een botsing de kans op lichamelijk letsel voor anderen aanzienlijk kan vergroten. Let op dat woord: aanzienlijk. Dat is geen vrijblijvende kwalificatie. Dat vergt onderbouwing.
Het Hof overweegt dat het gevaar kan zijn gelegen in de afmetingen en hardheid van de voorziening en dat een bullbar invloed kan hebben op de werking van de kreukelzone. Dat kán zo zijn. Maar waar is de concrete onderbouwing? Waar is het rapport? Waar is de technische analyse van deze specifieke bullbar op deze specifieke vrachtwagen? Die ontbreekt.
Er is niet vastgesteld dat deze bullbar daadwerkelijk de kreukelzone negatief beïnvloedt. Er is niet aangetoond dat de kans op letsel in dit concrete geval aanzienlijk toeneemt. Er is zelfs geen algemene onderbouwing dat bullbars op zware vrachtwagens in zijn algemeenheid tot een aanzienlijke vergroting van het letselrisico leiden. Integendeel, de bullbar in deze zaak had zelfs een Europese typegoedkeuring!
En daar wringt het opnieuw. Want als de norm spreekt over een aanzienlijke vergroting van de kans op letsel, dan moet die aanzienlijke vergroting ook worden vastgesteld. Niet verondersteld. Niet gesuggereerd. Vastgesteld.
Het oordeel van het Hof komt daarmee gevaarlijk dicht in de buurt van een categorisch verbod dat niet als zodanig in de wet is terug te vinden. Eerst wordt een impliciet verbod geconstrueerd voor voertuigen boven de 3.500 kg. Vervolgens wordt – zonder concrete technische onderbouwing – aangenomen dat een bullbar het letselrisico aanzienlijk vergroot. En voilà: de boete staat. Dat is een stevige basis voor handhaving. Maar juridisch gezien een wankele.
Begrijp me goed: het kan best zo zijn dat bepaalde bullbars gevaarlijk zijn. Het kan zelfs zo zijn dat een algemeen verbod door de wetgever wenselijk wordt geacht. Maar dan is het aan de wetgever om daar gedegen onderzoek naar te doen en dat expliciet te regelen, zoals ook bij de rusttijden is gebeurd. Niet aan de rechter om via interpretatie een verbod te creëren dat niet met zoveel woorden in de regeling staat.
Voor de specifieke bullbar in deze zaak is de motivering naar mijn mening al onvoldoende. Om daar vervolgens een generieke boodschap uit te destilleren – “bullbars op vrachtwagens zijn verboden” – en daarop te gaan handhaven, is nog een stap verder.
Ik ben dan ook benieuwd wie de handschoen oppakt. Want vroeg of laat zal er een transportbedrijf opstaan dat zegt: tot hier en niet verder. En eerlijk gezegd? Ik kan niet wachten.
Kevin Vierhout – ITL Attorneys – www.itla.eu

Foto’s: AI generated

