Schadepreventieprogramma’s bij transportbedrijven laten de kosten dalen, soms met wel 25 procent. Dat blijkt uit het SWOV-rapport ‘Veiligheigdscultuur in de praktijk’. SWOV interviewde vorig jaar 24 transportbedrijven waar de afgelopen vijf jaar volgens een schadepreventieprogramma is gewerkt. “Het blijkt een mes te zijn dat aan twee kanten snijdt”, zegt Charlotte Bax van SWOV. “Het levert verkeersveiligheidswinst op én het bedrijf bespaart kosten.”
De uitkomsten van de interviews staan in het onlangs gepubliceerde SWOV-rapport ‘Veiligheidscultuur in de praktijk: motieven, uitvoering en effecten’. “We wilden erachter komen wat deze bedrijven motiveert om actief met een veiligheidscultuur aan de slag te gaan. Maar we wilden ook weten wat een succesvolle strategie is om zo’n beleid in te voeren”, aldus Bax.
“Voor verreweg de meeste transportbedrijven die SWOV heeft geïnterviewd, geldt dat de hoge schadelast en dus de kostenbeheersing de belangrijkste motivatie is om een schadepreventietraject in te voeren. Maar daarnaast zien we dat ook het imago van een bedrijf en de wens van klanten een belangrijke rol kunnen spelen.” Bij het overgrote deel van de geïnterviewde bedrijven daalde volgens de SWOV de schadelast soms tot wel 25 procent.
Wat opvalt is dat het niet uit blijkt te maken of een bedrijf uit eigen beweging werk wil maken van een schadepreventietraject of dat het hiertoe wordt aangespoord door bijvoorbeeld de verzekeraar; in beide gevallen daalt de schadelast. “Verzekeraars kunnen natuurlijk een belangrijke invloed uitoefenen op het wel of niet doorvoeren van een schadepreventietraject door een transportbedrijf. Zij hebben hiervoor de premiehoogtes en het eigen risico als stok achter de deur. In de praktijk zien we echter dat een goede klantrelatie vaak effectiever is om een transportbedrijf tot schadepreventiemaatregelen te bewegen.” Maar ook de klant van de transporteur, de bank of brancheorganisatie kunnen hierin een belangrijke rol spelen. Bax: “Het imago dat je als bedrijf wilt uitstralen kan mede bepalen of je je goederen laat vervoeren door een onderneming waar de chauffeurs extra trainingen hebben gevolgd, of waar de vrachtauto’s met extra veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust.”

TLN onderstreept veel uit het rapport: “Veel chauffeurs kunnen lang verhalen over wat zij van dag tot dag tegenkomen en moeten doen om potentiële aanrijdingen te voorkomen. Dat gaat niet vanzelf. Daarom blijft het van belang dat chauffeurs zich kunnen blijven ontwikkelen op basis van nieuwe inzichten, technieken en omstandigheden”, aldus Rob Aarse van TLN. “Vrachtauto’s van nu kennen bijvoorbeeld veel meer ondersteunende voorzieningen voor een veilige deelname aan het verkeer. Dat kan variëren van een simpele dodehoeksticker tot systemen als adaptive cruise control en lane departure system. Een training op gezette tijden maakt het mogelijk om het maximale effect uit zulke systemen te halen. Maar als het er op aankomt is en blijft de chauffeur eindverantwoordelijk, als een kapitein op een schip. De invoering van een goede veiligheidscultuur begint bij het maken van afspraken met klanten en het opstellen van de planning die terdege rekening houden met de verkeersveiligheid. Zo staat de chauffeur er niet alleen voor. Voor de directie ligt hier ook een belangrijke taak door verkeersveiligheid prominent op het netvlies van de medewerkers te houden. Een werkzame veiligheidscultuur hangt voor een groot deel samen met goede communicatie en vooral duidelijkheid. Wanneer de interne gedragsregels helder zijn en duurzaam worden bewaakt, ontwikkelt het bedrijf een effectieve veiligheidscultuur. Dat geldt voor grote bedrijven maar ook voor kleinere transporteurs. Een belangrijke ervaring hierbij is dat het invoeren van een stevige veiligheidscultuur helemaal geen academische oefening hoeft te zijn. Meestal gaat het in eerste instantie om een paar basisafspraken die fundamenteel onderdeel worden van de dagelijkse werkzaamheden. Welke afspraken dat zijn, verschilt van bedrijf tot bedrijf. TLN gelooft niet in universele afspraken voor de invoering van een verkeersveiligheidscultuur. Daarvoor zijn bedrijven te verschillend. De branche-organisatie biedt ondernemers daarom vooral ondersteuning bij het vinden van de meest effectieve maatregelen of afspraken om een veiligheidscultuur te creëren . Veelal blijkt dat een aantal simpele afspraken waarop strak gestuurd wordt hun vruchten afwerpen qua verkeersveiligheid en verminderde schadelast.”
Maarten van Bergen van Interpolis Achmea heeft een programma geïmplementeerd bij een transportbedrijf. “Met een van onze klanten, een transportbedrijf met 45 chauffeurs en zowel bestel- als vrachtauto’s in het wagenpark, zijn we in 2010 aan de slag gegaan met een traject Schadepreventie Wagenparken. Het bedrijf kende toen een schadepercentage ten opzichte van de ontvangen premie van ver boven de 100 procent. In 2012 was het schadepercentage al teruggelopen tot 22,75 procent en in 2013 zelfs 0 procent. Over 2014 is het schadepercentage 27,14 procent, nog steeds een zeer mooi resultaat.”


